Inleidend vervolg1797 tot 1997 - deel II

Met de totstandkoming van de Gemeentewet in 1851 en de uitvoering daarvan kon op het vlak van de gemeentelijke overheid gesproken worden van een nieuw begin. Dat gold ook voor de taken en bevoegdheden van de burgemeester, die zich tot dan toe te houden had aan instructies en bepalingen in verspreide wetten.
De burgemeester was en werd een zelfstandig orgaan naast die van de raad (het hoogste orgaan) en van burgemeester en wethouders (b.en w.). Ieder met eigen bevoegdheden en beleids- terreinen. Het ambt van burgemeester kende (kent) een tweeledige taak. Enerzijds was de burgemeester dienstbaar aan de gemeente o.a. als uitvoerder van de besluiten van de raad en van het college van burgemeester en wethouders, anderzijds de behulpzame agent van het centrale gezag.
Om tot burgemeester benoemd te worden moest hij Nederlander zijn, inwoner van de gemeente zijn of worden en niet jonger dan 25 jaar. Uiteraard moest hij over een blanco strafblad beschikken en over zijn geestelijke vermogens mochten geen twijfels bestaan.
Er waren ook onverenigbare betrekkingen. Zo kon de burgemeester niet gelijktijdig notaris, onderwijzer of beroepsmilitair zijn.
De burgemeester moest er op toezien dat besluiten van de raad en het college van b.en w. niet strijdig waren met de wet. Hij was en bleef de eerst geroepene in geval orde en veiligheid in zijn gemeente in ongerede of gevaar kwamen. Hij vertegenwoordigt, zo stelde de wet verder, de gemeente in rechtsgedingen
De burgemeester is voorzitter van de raad en met stemrecht van het college van b.en w.
Aldus de voornaamste bepalingen uit de wet, die op burgemeester Jacob van den Hoek en zijn opvolgers van toepassing werden. Jacob van den Hoek Jz., burgemeester van vader op zoon (1853- 1878)
Het was hem al meegegeven. Jacob van den Hoek, geboren op 20 maart 1817, zoon van gemeentebestuurder Joost van den Hoek en Maria Konings. Joost was een groot aantal jaren tot 1840 secretaris van ‘s- Grevelduin- Capelle en voordien ook nog maire (1810- 1813). Bovendien was hij tot 1820 burgemeester van het enkele honderden inwoners tellende Vrijhoeve- Capelle. Nadat Jacobs oudere broer Adriaan zijn vader van 1840 tot 1852 als secretaris had opgevolgd werd Jacob secretaris van ‘s- Grevelduin- Capelle. Toen in 1853 notaris Roeland Middelkoop het ambt van burgemeester had neergelegd vanwege onverenigbaarheid van betrekking werd secretaris Jacob van den Hoek, die ook als hooi- en akkerbouwer te boek stond, met veel eerbetoon als burgemeester binnen gehaald. Uit een verslag daarover het volgende:
“Men zag weldra eenen erewacht te paard met vaandel en met strikken, gevolgd door een zestal geestelijk gekleedde maagdekens die al bloemen strooyende het nieuwe hoofd van het betsuu voor gingen. Welke laatste onder een door de tallooze schare zoo dikwijls herhaalde vreugdegalm, leve de burgemeester, onze vergadering binnen trad en door alle de leden op de minzaamste wijze ontvangen werdt”.
Twee jaar later werd hij tevens tot raadslid verkozen. Hierdoor kreeg hij stemrecht bij besluiten van de raad.
De woelige periodes achterlatend betekende nog niet dat armoede bestrijding geen aandacht behoefde. In de armenwet van 1852 werden de normen vastgelegd waarbinnen armen en behoeftigen op ondersteuning konden rekenen. Die waren er vooral door de “grote duurte der levensbehoeften” en de nasleep van de stormvloed in 1853 en waarbij enkele inwoners verdronken. Het budget van de ruim 2000 zielen tellende gemeente was voor die ondersteuning toereikend mede dank zij de opbrengst van de veren ( o.a. het Capelse veer ) die bijna eenderde van de jaarlijkse ontvangsten betrof. Een nieuwe veerpont werd te water gelaten. De haven werd druk bezocht vooral door de kolenaanvoer en de aanwezigheid van hooiperserijen. Er kwam een stoombootdienst die op Rotterdam voer waarmede de veehandel op die plaats gediend was Het interlokaal verkeer nam toe. Daardoor werd met name de grindweg vanaf de kom tot de Meeuwense dijk aangelegd. Andere wegen werden vernieuwd of uitgebreid. Leningen van particulieren die moesten worden afgesloten om de activiteiten te bekostigen waren vaak van dorpsgenoten (Rijken en Dekkers). Tol werd geheven op de grindweg bezuiden de kom naar Vrijhoeve.
Door toenemende belangstelling werd het lager onderwijs uitgebreid met onderricht in de Franse taal en kwam er een nieuw schoolgebouw in de kom (1870). Toch kreeg Van den Hoek te kampen met minder gunstige tijden. De weekmarkten in vee (octrooi uit 1738) werden afgeschaft. De twee jaarmarkten bleven echter gehandhaafd. De veepest stak de kop op De raadkamer die vele jaren bij assessor A.Huysman was onder gebracht verhuisde en vond bij Klaarre en later bij bakker Van Alphen onderdak, waar twee kamers gehuurd werden. Er werden wel plannen gemaakt voor de bouw van een ”echt” raadhuis.
In april 1878 vroeg en verkreeg Van den Hoek wegens “gezondheid in zijn huiselijke omstandigheden” eervol ontslag. Hij bleef echter raadslid en zou later nog geruime tijd wethouder zijn. Hij overleed op 10 mei 1894. Zijn vrouw Elisabeth van der Hoeven was hem al eerder ontvallen.H. J. Wellenbergh, een vreemde eend (1878-1885)
Met de benoeming op 1 mei 1878 van de op 20 maart 1852 te Utrecht geboren Herman Julius Wellenbergh tot burgemeester van ‘s- Grevelduin- Capelle werd de traditie gebroken dat een man uit eigen gelederen als burgemeester zou aantreden. De 26 jarige Wellenbergh kon niet bogen op enige bestuurlijke ervaring. Aard en karakter van de dorpsgemeenschap was hem vreemd. Was het een protégé van de Commissaris van de Koningin? Er kwam geen triomfantelijke intocht zoals bij zijn voorganger. De burgemeestersketting werd hem door, zijn voorganger nu raadslid, Jacob van den Hoek, omgehangen.
Dat hem niet alle eer gegund werd zou kunnen blijken uit het feit dat hij niet, van de toen belangrijke post van Ambtenaar der Burgerlijke Stand, tot bezoldigde eerste ambtenaar werd benoemd, die werd aan R. Middelkoop ” toe bedeeld”, maar als derde.In zijn bijna zeven jaar durende ambtsperiode kwamen er toch enkele belangrijke zaken tot stand of was er sprake van een op te merken ontwikkeling. De bouw van het raadhuis kwam in 1879 gereed. Voor die bouw en andere activiteiten was wel een voor de gemeente grote geldlening van F. 20.000,- afgesloten. In 1881 werd een concessie afgegeven tot exploitatie van een stoomtram op het traject Cappelse haven-Kaatsheuvel. Het veer werd gemoderniseerd met de ingebruikneming van een stoomboot.
De spoorlijn Zwaluwe - ‘s- Hertogenbosch met in eerste aanleg het traject Zwaluwe- Waalwijk zou een belangrijke ontsluiting van de streek tot stand brengen. Ter beteugeling van overmatig drankgebruik werd een verordening vastgesteld, dit als uitvloeisel van de drankwet van 28 juni 1881. De zorg voor armen en behoeftigen vroeg alle aandacht. Dat was onder meer af te lezen aan het omvangrijk aantal kinderen dat kosteloos onderwijs ontving en de zeer grote uitgave van het Algemeen Burgerlijk Armbestuur. Ter vergelijking: de uitgaven van dat armbestuur bedroegen in 1882 f. 14.725,13 en die van de gemeente f. 21.635,81.
Op 11 december 1884 deelde Wellenbergh de raad mede dat hij de Koning om ontslag
had gevraagd. Om gezondheidsredenen was hij al geruime tijd afwezig. Dat ontslag werd hem op 14 maart 1885 eervol verleend. Na een hartelijk dankwoord door de gemeentesecretaris en de overhandiging van de voorzittershamer en keten aan wethouder M.Heymans, nam hij afscheid. Hij vertrok naar Renkum.Gerrit Vermeulen Wz., de burgemeester van de Villa (1885- 1915)
De vroegtijdige ontslagaanvrage van Wellenbergh had tot gevolg dat het gemeentebestuur zijn beoogde opvolger bij de Commissaris der Koningin aan beval. Het was de veertig jarige Gerrit Vermeulen, zoon van landbouwer Willem Vermeulen. Gerrit, geboren te Capelle op 30 augustus 1844, in november 1884 tot opperbrandmeester benoemd, nam nog voor het einde van dat jaar ontslag uit die functie en bereidde zich voor op het ambt van burgemeester. Na- dat Wellenbergh op 14 maart 1885 officieel afscheid had genomen werd Vermeulen vrij snel daarna in het ambt benoemd (KB. 11- 4-1885)
Nauwelijks aangetreden of hij kreeg met tegenvallers te maken. Zo voerde hij een proces tegen de Noord- Brabantse Stoomtramweg Maatschappij die op het baanvak Capelle- Kaatsheuvel haar activiteiten had gestaakt wegens te geringe activiteiten. De opbrengsten aan haven- en kadegelden werden jaarlijks minder. Dat gold ook voor de opbrengsten van het Capelse veer dat in 1890 aan de staat werd over gedragen. Een en ander stond in relatie met de ingebruikneming van het baanvak Zwaluwe- Waalwijk, deel van de spoorlijn Zwaluwe- ‘s- Hertogenbosch, waardoor over land een snelle verbinding met het westen des lands tot stand kwam. Naast de stopplaats Hoogevaart- Kaatsheuvel zou later een halteplaats Capelle- Nieuwevaart (1893) met laad- en losplaats worden gerealiseerd
De typhus die in 1886 algemeen heerste ging ook aan Capelle niet voorbij en kwam zelfs in hevige mate voor waarbij enkele slachtoffers vielen. Oorzaak ! :de gezondheidscommissie van het district Waalwijk constateerde dat het water te Capelle bruin van kleur was en slecht drinkbaar. Vermeulen kreeg in 1892 te maken met spanningen inzake het tiendrecht dat de boeren aanvochten en waarbij de “sterke arm”moest worden ingezet.
Door de invoering van de Leerplichtwet in 1900 werd de lagere school in de Nieuwstraat uitgebreid. Er kwam in 1901 een nieuwe torenklok. De straatlantaarns werden in 1914 geleidelijk aan vervangen door een electriciteitsnet, uitgevoerd door de N.V. Provinciale Noord-.Brabantse. Electriciteits Maatschappij.
Toename van de melkaanvoer, verbetering van kwaliteit en uitbreiding van zuivelproducten leidde tot oprichting van de stoomzuivelfabriek De Toekomst, mede ten dienste van veehouder en consument.
Het Algemeen Burgerlijk Armbestuur rapporteerde dat in 1887 het aantal armlastigen dalende was. Kwam het door de toenemende bedrijvigheid in de schoenmakerijen? In die tijd werkten er in die branche 185 mannen en (helaas) 36 kinderen.
De toenemende overheidsbemoeienissen kwamen tot uiting in de jaarrekeningen. Deze reikte in 1887 tot een uitgave van Fl. 45.000,-, een verdubbeling ten opzichte van zes jaar daarvoor.
In verband met de uitbraak van de oorlog in 1914 kreeg Vermeulen te maken met inkwartieringen en werd de voedselvoorziening met onder anderen brood- en meelkaarten op rantsoen gezet.
Met ingang van 1 april 1915 vroeg en verkreeg burgemeester Vermeulen om gezondheidsredenen eervol ontslag. Hij overleed op 29 januari 1918. Vanaf 1879 woonde hij op de Villa aan de Nieuwevaart. Cornelis Valter, burgemeester die gaarne was gebleven (1915- 1922)
Met de benoeming van Cornelis, Henri, Lodewijk, Victor Valter tot burgemeester van ‘s- Grevelduin- Capelle kwam definitief een einde aan een benoeming van burgemeesters uit eigen kring. Valter ,van huis uit doopsgezind was en bleef ongehuwd.
Hij was op 19 november 1869 in Bergen op Zoom geboren. Tot 1814 had Valter zijn laatste werkkring in het Gelderse stadje Huissen. In dat zelfde jaar werd hij benoemd tot burgemeester van Vrijhoeve- Capelle. Bij K.B. van 29 mei 1815 kwam tevens zijn benoeming af tot burgemeester van ‘s- Grevelduin- Capelle waar hij zich in augustus van dat jaar ook vestigde. Gelet op de oorlogssituatie (oorlog 1914- 1918) was het gebied nog tot april 1920 onder militair gezag geplaatst .Evenals zijn voorganger kreeg hij te maken met tal van maatregelen aangaande de voedselvoorziening. Het scheuren van grasland tot bouwland voor de verbouw van voedergewassen werd gestimuleerd. Er was een verbod om tarwe, rogge en peulvruchten te verwerken tot voedermiddel voor dieren. Ook koffie, thee, raapolie en schoenen waren of kwamen op “de bon”. Maximum prijzen op voedingsmiddelen, zelfs die van bessensap, werden vastgesteld. Het distributiebureau had het er druk mede. Valter stond in 1919 mede aan de wieg bij de oprichting van een boerenleenbank.
De samenvoeging van de gemeenten. Sprang, ’s-Grevelduin- Capelle en Vrijhoeve- Capelle had heel wat voeten in aarde. De inwoners van de twee eerstgenoemde gemeenten verzetten zich tegen de fusie. De bezuinigingsdrift en argumenten als “dezelfde soort van mensen, van oorsprong Hollanders, dezelfde religie en een conglomeraat van dezelfde karakter- eigenschappen “ door de wetsvoorsteller aangevoerd, gaven uiteindelijk toch de doorslag tot samenvoeging.
Valter had nog een stille hoop dat de samenvoeging van gemeenten in 1923 zich zou beperken tot die van ‘s- Grevelduin- Capelle met Vrijhoeve, zodat hij burgemeester kon worden van die nieuwe gemeente. Hij had het, zoals hij het zei, best naar de zin in deze Langstraatse gemeenten. In de wetenschap dat hij niet tot burgemeester van de nieuw te vormen gemeente zou worden benoemd nam hij op 28 december 1922 afscheid van de raad en vertrok enkele maanden later naar Katwijk.Geraadpleegde literatuur en bronnen:
Gemeentewet 1851 met toelichting en latere wijzigingen
De Echo van het Zuiden, dec.1922
Gemeentearchief Waalwijk (GAW); archief gemeentebestuur ‘s-Grevelduin- Capelle.
GAW; Bevolkingsregister ‘s- Grevelduin- CapelleVrijhoeve- CapelleInleiding op een verder vervolg
Rond 1800 telde Vrijhoeve- Capelle niet meer dan 250 honderd inwoners, een aantal dat bij de opheffing in 1923 circa 540 zou bedragen. Het aantal kiesgerechtigden bestond aanvankelijk uit niet meer dan enkele tientallen. Zij, de gegoede burgers, kozen de municipaliteit of gemeenteraad, dit wel met onderbreking van de Bataafs- Franse tijd toen die keuze aan alle volwassen burgers werd toevertrouwd. Een recht dat pas met de invoering van het algemeen kiesrecht met de grondwetswijziging van 1917 volledig werd.
Hoewel de benoeming van schout, maire en burgemeester door hogerhand geschiedde was de invloed van het betrekkelijk geringe aantal kiesgerechtigden daarop groot. Niet altijd kon echter aan de voordracht of het advies van die gemeenschap tegemoet worden gekomen. Dat gold zeker de kleine gemeente Vrijhoeve- Capelle. Een cumulatie van het ambt met dat van een aangrenzende gemeente kwam dan ook meerdere malen tot stand. L.A. van Dijck, schout en secretaris (1803- 1810)
Lourens Antoni van Dijck, geboren op 24 januari 1760 woonde in Sprang en trouwde in 1791 met kleermakersdochter Jacoba E.de Greef. Hij trad al voor zijn benoeming tot schout als secretaris op, een combinatie die ook elders voor kwam. Van Dijck zal, gelet op de franse invloed en overheersing, de taal van de fransen machtig zijn geweest. Rond 1803 was hij Pieter van den Hoeven die vele jaren Vrijhoeve als schout had gediend, opgevolgd.Door de Hoogmogende Ordonantiën van 4 oktober 1805 werd Lourens aangesteld tot directeur der belastingen en belast met de invordering der belasting op het recht van successie. Een weinig benijdenswaardige taak daar in deze periode door de legerkosten der Fransen de inwoners met hoge lasten werden opgezadeld. In zijn woonplaats Sprang vervulde hij in deze periode eveneens een aantal functies zoals die van collecteur, borgemeester en schepen..Joost van den Hoek, maire en burgemeester (1810- 1820 )
Joost van den Hoek, geboren op 31 augustus 1782 in Vrijhoeve- Capelle werd in 1810 aangesteld tot maire van zijn geboorteplaats. In het zelfde jaar dus dat het gehele land bij Frankrijk werd ingelijfd en met name de franse taal bij publieke zaken werd ingevoerd. Hij vervulde dit ambt tot 1813, het jaar waarin een einde kwam aan de franse overheersing. Daarop volgde zijn benoeming tot burgemeester van Vrijhoeve- Capelle.
De rekeningen van de gemeente ( communiteit) waren zeer bescheiden van omvang. In 1813 was het totaal aan ontvang; f. 769,- en bedroegen de uitgaven f. 679,-. Tot de belangrijkste bron van inkomsten zorgden de personele en mobilaire omslag en de opbrengst aan verpachtingen van landerijen. Het traktement van de veldwachter, rechtstreeks opgebracht door inwoners, was f. 50,- per jaar en de huishuur van de gemeentekamer, eigendom van G. Pruijsers, ging f. 10,- niet te boven. De jaarwedde van de secretaris bedroeg f. 95,- en dat van de burgemeester f.73,-. Ongetwijfeld zal de watersnood in 1809 een ramp hebben betekend evenals de legerlasten die veelal in natura (koren en vee, hand- en spandiensten) opgebracht moesten worden en allerminst een periode van welvaart hebben betekend.
Eind 1820 nam Van den Hoek afscheid als burgemeester. Op 19 mei 1850 overleed hij te ‘s- Grevelduin - Capelle.