door: Drs J.M.Rosendaal


Inleiding
Onder de titel burgemeesters van Sprang, Vrijhoeve- en ’s Grevelduin- Capelle zal in dit tijdschrift in een reeks artikelen aan de brugj2006 01burgemeesters, schout en maire inbegrepen, die vanaf rond 1800 tot aan de fusie met de nieuwe gemeente Waalwijk in kort bestek aandacht worden besteed. Zij drukten in hun tijd vaak op eigen wijze en in vele gevallen een stempel op de ontwikkeling van de gemeenten waarover zij (mede) de scepter zwaaiden.
Het ambt evalueerde van schout en maire tot dat van burgemeester. Het onderging in de loop van de geschiedenis verandering doch zou in ieder geval een wezenlijke taak als hoeder van orde en veiligheid behouden.
Door het beperkte passief en actief kiesrecht tot 1917/ 1922 kwam het meestal voor dat het ambt in handen kwam en bleef van gegoede burgers c.q. families ( van vader op zoon).
Om benoemd te worden diende de burgemeester inwoner van de betreffende gemeente te zijn. Zo stond het in de regeling van 1825. In bijzondere gevallen kon daar van af worden geweken. Deze uitzonderingen werden in de loop van de tijd zo talrijk dat de wet daarop werd aangepast.

Het kwam voor dat in kleine gemeenten als de onze in de negentiende eeuw en deels nog in de twintigste eeuw het ambt met dat van secretaris werd gecombineerd..Dat werd ingegeven door bezuinigingen en om het beroep van een volledige en vooral gekwalificeerde taak te voorzien Om dezelfde reden werd het mogelijk dat de burgemeester tevens burgemeester van een aangrenzende kleine gemeente (minder dan 5000 inwoners) kon worden. Tot in de twintigste eeuw werd in de hier beschreven gemeenten het ambt deels als een invloedrijke erebaan gezien met een overeenkomstig traktement. Ook de vrouw, zij het pas sinds 1931, kon tot burgemeester benoembaar worden verklaard. Na de tweede wereldoorlog werden de mogelijkheden tot combinatie c.q. cumulatie geringer en later zelfs niet meer toegepast.
Wij openen de serie met ambtsdragers van: ’s-Grevelduin-CapelleJan Huijsman, schout in een turbulente tijd (1797- 1810) Met de komst van de Bataafse Republiek werd in 1795 een voorlopig bewind geïnstalleerd, zo ook voor de gemeentebesturen (de municipaliteit). Jan Huijsman volgde als schout in dat jaar Johannes Cornelis Quirijns op. Hij zou het niet gemakkelijk krijgen in de strijd om het schoutschap waarvoor ook Jan Vaartmans was genomineerd en door met name Gijsbert Dekkers, een rechtgeaard patriot, naar voren was geschoven. Dekkers was door hogerhand als secretaris benoemd. Landbouwer en grondeigenaar Huijsman zou echter de strijd winnen en in 1797 nadrukkelijk door de stemgerechtigde ingezetenen tot schout verkozen worden. In maart 1797, het derde jaar der Bataafse Vrijheid, werd door de gecommitteerden uit de burgerij van Capel aan de municipaliteit, inzake de bezoldiging van schout, secretaris en schepenen, een instructie opgesteld. In de artikelen 1 tot en met 8 werden de plichten van de schout opgesomd. Bij hem lag de verplichting tot het beleggen van vergaderingen gericht aan elk lid van de municipaliteit. Hij diende de vergaderingen bij te wonen en de schepenen met raad en daad bij te staan. Op hem berustte het schouwen van wegen, stegen en water alsmede de brandschouw. Bleef hij in gebreke dan kon hij rekenen op boete. Aan de municipaliteit diende hij jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen, zo had hij ook de verplichting tot het opmaken van de armenrekening. Over alles wat in het dorp voorviel moest hij verslag uitbrengen en zorgen voor een goede orde in de gemeente. Opgemerkt zij dat de vergaderingen geleid werden door de president-schepen. Vaartmans, een vermogend persoon, kreeg zijn aan de gemeente geleend (obligatie) bedrag ad. Fl. 2000,— met een rente van 5% terug.Het gemeentebeleid stond in niet geringe mate onder toezicht van de Prefect die in Den Bosch zetelde en in de beginjaren in Dekkers een waker had. De jaarlijkse lasten aan het Bataafs bewind waren niet gering en bedroegen in een aantal jaren bijna een kwart van de totale uitgaven. Nadat ook de strijd tegen Dekkers was gewonnen, hij werd vervangen, trad er een mate van verzoening in tussen oranjegezindten en patriotten, woedde er een andere strijd, namelijk die tegen het water. In de winter van 1809 werd het rivierengebied overvallen door een vloedgolf. In ’s-Grevelduin- Capelle begaf de dijk het en in vele gevallen gingen have en goed verloren. Het bezoek van koning Lodewijk Napoleon in mei van dat jaar die zijn betrokkenheid toonde bij die ramp moet voor Huijsman een belevenis zijn geweest. Erebogen en versierde straten (op aandringen van de Landdrost) gaven uiting aan de komst van de koning. De schout liet het uitvoerend werk overigens in hoofdzaak over aan de nieuwe secretaris Middelkoop die de correspondentie in de Franse taal beheerste.Frans werd de officiële voertaal. Immers in die tijd maakten onze gemeenten deel uit van Frankrijk dat vanuit Parijs werd bestuurd. Rond die tijd nam een aantal schippers de wijk naar Amsterdam dat een korte tijd niet rechtstreeks onder Frans bewind was gaan behoren. In het laatst genoemd jaar werd Huijsman niet meer herkozen en ging het schoutambt over in dat van maire. Wel was hij nog enkele jaren adjunct maire en lid van het tribunal civil, een voortzetting van de civiele rechtbank uit 1806. Hij was daarnaast nog actief in verschillende commissies zoals die tot vaststelling van personele lasten en lid van het polderbestuur. Zijn zoon Arend kwam daarna in de raad en was zelfs enkele jaren assessor. De schout genoot ook tot aan zijn vertrek een beloning van fl. 66,- per jaar. Ter vergelijk, dat van de secretaris bedroeg fl.150,-. Jan Huijsman, geboren op 12 juli 1769 te Raamsdonk en vanaf begin jaren negentig woonachtig in ‘s- Grevelduin- Capelle, overleed negentig jaar oud op 10 juli 1859.Roeland Middelkoop, van maire tot burgemeester (1810- 1843)Als aan het eind van de achttiende eeuw het gezin van Dionisius Middelkoop en Wouterina Donkersloot uit Dussen op Dorpsgehucht 93 in ’s-Grevelduin- Capelle komt wonen is de ambitie van hun zoon Roeland voor een overheidsambt al gewekt. In 1798 wordt Roeland dan, nauwelijks negentien jaar oud, tot clerq, in feite dat van secretaris, van de municipaliteit van zijn woonplaats aangesteld. Uit de archiefstukken is op te maken dat hij in die functie de steun en toeverlaat van schout Huijsman wordt. Een steun die vooral in een kommervolle en hectische tijd die de vestiging van de Bataafse Republiek, gevolgd door de instelling van het Koninkrijk Holland en de inlijving bij Frankrijk met zich bracht, node gemist kon worden. Toen Roeland dan ook in oktober 1810 tot maire werd benoemd, hij was toen al een aantal jaren notaris, kon hij reeds bogen op jaren lange ervaring als overheidsdienaar. Die ervaring had hij vooral opgedaan tijdens het bewind van koning Lodewijk Napoleon die de wetgeving op Franse leest had doorgevoerd. Als maire leidde hij de vergaderingen van de municipaliteit ofwel de gemeenteraad.Bij de inlijving bij Frankrijk in 1810 werd Roeland in dat jaar door de 38 stemgerechtigde ingezetenen verkozen tot maire, een verkiezing die de instemming van de Prefect die in Den Bosch zetelde weg droeg. Bij die verkiezing behoorde wel de eed van gehoorzaamheid aan de constitutie van het keizerrijk en getrouwheid aan de keizer te worden afgelegd. Zo geschiedde. (Was het een vrijwillige keuze ?.) “Burger” Middelkoop hield er zich aan. De brieven aan de hogere instanties tekende hij met “uw onderdanige gehoorzame dienaar”. De eed van trouw hield ook in dat van hoger hand opgelegde maatregelen getroffen moesten worden zoals de dienstplicht in het leger van de keizer. Dat niet alle jonge mannen daaraan gevolg gaven bleek uit het feit dat er gedeserteerd werd. Hoge (leger)lasten drukten zwaar en de elementen van de natuur waren de bevolking niet altijd gunstig gezind. De vestiging van franse douaniers moest voor lief worden genomen evenals de armenzorg en armenkassen die tot dan toe door de kerken behartigd werden aan het openbaar bestuur moesten worden afgestaan. Daarvoor werd een centraal bureau van weldadigheid ingesteld. Uit zijn benoeming tot maire vloeide ook voort dat hij samen met de adjuct- maire (Huijsman) en Jean de Rooy, de rechterstoel van de civiele rechtbank bekleedde, bijgestaan door de gerechtsboden uit ’s-Grevelduin, Vrijhoeven, Zuijdewijn en Nederveen. Na de Franse nederlaag, de bevrijding op medio december 1813 van Capelle en omgeving, en de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden braken betere tijden aan. Een aantal Franse maatregelen werden terug genomen, anderen, zoals die van de Burgerlijke Stand, gehandhaafd. Middelkoop werd tot burgemeester benoemd waarbij hij de eed van trouw aan het nieuwe koninkrijk aflegde. Handel en nijverheid kregen een gunstig verloop. De twee jaarmarkten en de weekmarkten werden druk bezocht. Daarvoor werden bepalingen, w.o. markt- en staangeld, ingevoerd. De toestand van de haven, van regionale betekenis en het Capelse veer, ondanks de opening van Keizersveer, vergden voortdurend onderhoud. Daarvoor werden de nodige gelden uitgetrokken die deels werden opgevangen door de verpachting van het staan-recht of marktgeld en het havengeld. Het interlokaal verkeer nam toe. Daarvoor diende de keistraat, Cappelse dijk, gerenoveerd te worden. Voor de dekking van kosten werd daarop tol geheven. Hoewel centraal geregeld, vele maatregelingen werden bij koninklijke besluiten getroffen, wist Middelkoop gedaan te krijgen dat door de toename van schoolkinderen er een “ruime luchte en sterke “school kwam.

Als hoofd van de brandweer zag hij er op toe dat overeenkomstig het brandweerreglement dat niet alleen de brandspuit functioneerde maar ook het personeel geoefend en de bevolking in voorkomende gevallen inzetbaar was. Het was nodig want in de zomer van 1834 brandde een brouwerij en tien huizen af. De inkwartiering van soldaten tijdens de Belgische Opstand (1830- 1839) bezorgde hem hoofdbrekens. Roeland Middelkoop die bij continuatie benoemd was, werd eind 1839 voor de laatste keer herbenoemd. Op 30 december 1843 nam hij afscheid. Vele jaren had hij dit ambt gecombineerd met dat van notaris, een ambt dat hij van 1803 tot 1842 vervulde. Daarnaast was hij een aantal jaren lid van de provinciale staten van Noord- Brabant waarbij hij vooral de belangen van de waterstaat en polderbeheer voor ogen had. Middelkoop sr. geboren op 6 januari 1780 overleed, 72 jaar oud, op 25 december 1852.Roeland Middelkoop jr., invloedrijk (1843- 1853)Als zesde en jongste kind van notaris/burgemeester Middelkoop en Jacoba de Jong kwam Roeland op 9 januari 1818 ter wereld en zou, zoals later bleek, in de voetsporen van zijn vader treden.brugj2006 02

Voorbestemd om zijn vader als notaris te ‘s- Grevelduin- Cappel op te volgen genoot hij een opleiding elders. Rond 1840 keert hij terug en trouwt met de drie jaar oudere Neeltje Jacoba Lukwel. Het gezin krijgt vijf kinderen en woont in 1850 op Dorpsgehucht 59. In 1842 volgt hij zijn vader op als notaris.Op 4 maart 1844 volgt zijn benoeming tot burgemeester van zijn woonplaats, het ambt dat zijn vader tot 2 januari 1844 vervulde. Na de eedsaflegging in handen van de gouverneur der provincie benoemde de raad hem tot ambtenaar van de burgerlijke stand. Evenals zijn voorgangers kreeg zijn gemeente te maken met wateroverlast. De ligging aan vaarwater had ook haar voordelen. Een groot aantal schippers verdiende de kost met vervoer van onder anderen hooi naar andere windstreken. De havens van Capelle en Labbegat moesten dan ook bereikbaar en bevaarbaar blijven, daar de getijrivier ( eb en vloed) aanslibbing veroorzaakte. Het gemeentebestuur droeg daarvoor verantwoording. Kaai – en havengelden zorgden voor gedeeltelijke dekking van de kosten van onderhoud. Opvallend was dat al in 1844 Middelkoop betrokken was in een overleg tot realisering van een kanaal tussen Grave en Geertruidenberg. In 1846 werd door de raad een door hoger hand gesteund voorstel tot samenvoeging met de gemeente Vrijhoeve- Capelle aangenomen. In een aantal punten waarbij de gelijkberechtiging van Vrijhoeve nadrukkelijk werd gesteld werd dit aan het gemeentebestuur van Vrijhoeve voorgelegd. Vrijhoeve wees dit voorstel af. In pais en vree bleef alles bij het oude.(Roeland Middelkoop werd overigens wel van 1851 tot 1853 burgemeester van Vrijhoeve) Een hondenbelasting werd ingevoerd. Onderscheid werd gemaakt tussen honden ten dienste van landbouw, bedrijf en bewaking en die welke voor de “weelde”dienden. Ongewild kwam aan zijn burgemeestersschap in 1853 een einde. De in 1851 uitgevaardigde Gemeentewet schreef voor dat bepaalde overheidsberoepen niet gecombineerd mochten worden. De combinatie burgemeester/ notaris was niet toegestaan. Roeland koos voor het notarisambt. Toch bleef hij actief in de politiek. Als raadslid en ook nog als wethouder leverde hij zijn bijdrage in het gemeentebeleid van zijn gemeente. Daarnaast was hij tot aan zijn overlijden vele jaren lid van de provinciale staten van Noord- Brabant. Roeland junior overleed op 13 april 1885. Het lidmaatschap van die staten werd daarna een aantal jaren voortgezet door zijn zoon Bastiaan die, evenals zijn vader en grootvader, notaris te ‘s- Grevelduin- Capelle was.
Geraadpleegde literatuur en bronnen :
P.Sikkes en A.Zadel, beknopt leerboek voor het gemeenterecht (Samsom, Alphen a.d. Rijn).
Gemeentearchief Waalwijk 9GAW); archief Gemeentebestuur van ’s-Grevelduin- Capelle, registers burgerlijke stand. dossiers gemeentebestuur, dorpsbestuur, volkstellingen.
GAW, archief dorpsbestuur ‘s- Grevelduin- Capelle.
Noot: Tot aan de vestiging van het Koninkrijk Holland werd het schoutambt gekocht ….