‘Capelse Veer’' , simpel een veerdienst over de Bergse Maas, zo lijkt het op het eerste oog. En zo is het ook. Maar in de annalen van de krijgsgeschiedenis heeft de naam ‘Capelse Veer’ een diepere inhoud en een veel verder gaande betekenis. Met die naam wordt aangeduid het (schier-)eiland, ingeklemd tussen de Bergse Maas en het Oude Maasje, dat van half december 1944 tot 1 februari 1945 het toneel was van fanatieke, bloedige gevechten tussen Canadezen, Engelsen en Polen enerzijds en Duitsers anderzijds. ‘Capelse Veer’ was, toen eind oktober 1944 de bevrijding van de provincie Noord-Brabant door de Geallieerden voltooid was en de Duitsers tot boven de Maas teruggedrongen waren,het laatste Duitse bruggenhoofd op de zuidelijke oever van de Maas. Het werd door de Duitsers vastgehouden en taai verdedigd, teneinde - zoals uit de later bekend geworden plannen van de Duitsers bleek - tegelijk met het Ardennenoffensief van Generaal Von Rundstedt, dat op 16 december 1944 werd ingezet, twee complete divisies, de 711e  en 712e  Duitse infanteriedivisie, later nog eens te volgen door de 6e  Fallschirmjager-divisie als flankdekking, over de Maas te kunnen brengen voor een doorstoot naar Antwerpen. Antwerpen was op dat moment de onmisbare aanvoerhaven voor de ravitaillering van de Geallieerde legers. Er was de Duitsers derhalve alles aan gelegen Antwerpen weer in handen te krijgen. Intussen waren de Britten en Schotten, die Waalwijk, Loon op Zand en Sprang-Capelle veroverd hadden, afgelost. De Canadese 4e  pantserdivisie, was met het oog op de toestand in de Ardennen in reserve geplaatst, terwijl de bewaking van het Maasfront werd overgenomen door de 1e  Poolse pantserdivisie.
Maas-crossingenAllerlei informatie, voornamelijk via de verzetsgroep Sprang-Capelle, onder leiding van kapitein André (A.L. van Wijlen) verkregen, wezen op Duitse troepenconcentraties aan de noordzijde van de Bergse Maas. De groep ‘André’ was nl. ook na de bevrijding van Sprang-Capelle contacten met verzetsgroepen in het nog bezette gebied boven de Maas en de Merwede blijven onderhouden, waartoe vele ‘Maas-crossingen’ plaatsvonden. Belangrijke inlichtingen konden zodoende aan de Geallieerde commandanten worden verstrekt. Deze verzochten om nog sneller over de informatie te kunnen beschikken en stelden daartoe drie draagbare zendontvangapparaten ter beschikking. Leden van de groep André, Jan de Rooy en Hans Hoekstra, twee weken lang voor zenderbediening opgeleid, werden over de Maas gebracht en zonden dagelijks hun berichten over troepenbewegingen, aanvoer en verplaatsing van oorlogsmaterieel van de Duitsers enz. vanuit een schuur in Dussen. De berichten werden opgevangen door een luisterpost op het voormalige raadhuis te Capelle, en dagelijks gaf kapitein André deze berichten weer door aan het plaatselijke Geallieerde commando. Ondanks dat deze berichten wat alarmerend waren, werden de Canadezen ter versterking naar de Ardennen gedirigeerd. Toen kwam 22 december 1944.

Het voormalige raadhuis van Capelle

1944 door een V-1 werd getroffen

Jan de Rooy meldde zeer grote troepenconcentraties en aanzienlijke materieelaanvoer langs de noordelijke Maasoever. Hij gaf nauwkeurig soort en aantal op, alsmede de posities aan de hand van stafkaart-coördinaten. Ook deelde hij mede, dat binnen enkele dagen een grote Duitse flankaanval kon worden verwacht. Op het moment dat op de luisterpost Dick Flemming zijn aantekeningen had gemaakt en verzameld, werd het voormalige raadhuis te Capelle door een V-1 getroffen. Aanvankelijk beklemd tussen het puin en gewond kon Dick Flemming, nadat hij uit het puin was verlost, nog juist zijn cahier aan toegeschoten leden van de groep André overhandigen met verzoek dit terstond naar kapitein André te brengen. Deze wist een generaal in de buurt van Eindhoven te overtuigen van de ernst van de situatie, waarop het Geallieerde opperbevel - direct op de hoogte gebracht - opdracht gaf aan de naar België onderweg zijnde Canadezen hun artillerie in stelling te brengen in de omgeving van Tilburg. Reeds in de middag van 24 december werd met dit zware geschut een hevig bombardement ingezet op de Duitse concentraties aan de noordzijde van de Bergse Maas. Dankzij de door Jan de Rooy opgegeven nauwkeurige posities werden de Duitsers enorme verliezen toegebracht, waardoor zij van de voorgenomen flankaanval moesten afzien en zelfs - behoudens één compagnie - de Bergse Maas niet zijn overgestoken. De Duitsers begrepen, dat hier spionage in het spel moest zijn. Na een grootscheepse speuractie in het Land van Heusden en Altena vonden zij de zender in een schuur van de familie Koekoek te Dussen, waarvan alle mannelijke leden werden gearresteerd. Jan de Rooy stond toen voor een bijna bovenmenselijke beslissing. Om deze mannen te redden meldde Jan de Rooy zich vrijwillig bij het Duitse commando. De familie Koekoek werd in vrijheid gesteld. Jan de Rooy werd 4 januari 1945 in Amsterdam gefusilleerd, nadat hij zware mishandelingen te verduren had gehad. Ondanks die martelingen heeft hij geen namen van zijn medewerkers genoemd. Dank zij hem kon de aanval op Antwerpen worden afgewend en werden - menselijker wijze gesproken - De Langstraat en Breda met omgeving een hernieuwde bezetting bespaard. Toch bleef het Duitse bruggenhoofd op de zuidelijke oever van de Bergse Maas bij het Capelse Veer het Geallieerde commando een doorn in het oog. Ook na het uiteenslaan van de Duitse troepenconcentraties op de noordelijke Maasoever bleef een latente dreiging van een Duitse aanval bestaan, zeker zo lang het Ardennenoffensief duurde. De Poolse Divisiecommandant, generaal Maczek, besloot dan ook het Duitse bruggenhoofd op te ruimen. Achteraf krijgt men de indruk dat die taak van Geallieerde zijde te licht is opgevat en men de sterke positie van de Duitsers heeft onderschat. De verdedigers - Duitse keurtroepen,want dat zijn de parachutisten – zaten immers goed beschermd, ingegraven in en achter zware dijken,terwijl de aanvallers over vlak polderland zonder enige dekking moesten oprukken. Drie maal - op 29 en 30 december 1944 en op 6 januari 1945 - ondernamen de Polen een goed voorbereide aanval, die telkens met veel moed en heldhaftigheid ten koste van vele doden en nog meer gewonden werd uitgevoerd. Toch moesten zij onverrichter zake terug. Dat overkwam ook het 47e  Royal Marine Commando in de nacht van 13 op 14 januari 1945, dat in de met de codenaam ‘Horse’ aangeduide actie, eveneens door zware verliezen aangetast, de aanval moest opgeven. Toen werd generaal Crocker, de bevelhebber van het le Canadese Legerkorps, het zat. Voor eens en altijd moest er een einde komen aan deze, telkens opnieuw doden en gewonden eisende, tekortschietende aanvallen op het Duitse bruggenhoofd. Het hoofdkwartier van het Legerkorps broedde een plan uit. Uiteindelijk werd op 26 januari 1945 onder de codenaam ‘Olifant’ een zeer grootscheepse actie ingezet door de 4e  Canadese tankdivisie van generaal Vokes. Hoewel gesteund door twee Poolse regimenten en zes artillerieregimenten met in totaal ongeveer 900 stukken geschut, kolossale voorraden munitie, vliegtuigen, tanks en vlammenwerpers, duurde de strijd 4 á 5 dagen. Eerst op 31 januari 1945 was het bruggenhoofd totaal opgeruimd, ten koste van vele doden en gewonden aan beide zijden. Ongeveer ter zelfder tijd trok Von Rundstedt van de Ardennen terug op de Siegfriedlinie.

Na de vernietiging van het Duitse bruggenhoofd werden de Polen weer belast met de bewaking van 52 km. zuidelijke Maasoever van Geertruidenberg tot Lithoyen. Een naargeestig, afmattend werk. Staren naar de overkant. De minste beweging op de tegenover liggende oever van de rivier achtervolgen met een storm van vuur, waardoor de schutters uit hun sluimering werden gewekt en de buren werden wakker geschud. De wacht langs de rivier werd afgewisseld met patrouilles naar de overkant van de Maas in het door de Duitsers bezette Land van Heusden en Altena. Vrijwel telkens vielen hierbij weer doden en gewonden. Omgekeerd kwamen er ook Duitse patrouilles over de Maas. Zo bleven er steeds schermutselingen, die vrijwel immer slachtoffers vroegen. Tot grote teleurstelling van de Polen vertrok het 1e  Canadese Legerkorps zonder de 1e Poolse Pantserdivisie naar Duitsland. Maar 7 april was het dan toch zo ver. Nu ingedeeld bij het 2e  Canadese Legerkorps ging de 1e Poolse Pantserdivisie aan de strijd in Duitsland deelnemen. De wacht aan de Maas werd overgenomen door Engelse commando's. Lang bleven deze commando's niet. Op 15 april 1945 werden zij afgelost door een Belgische Brigade. Hoewel de Duitse capitulatie in het zicht komt, vallen er ook onder de Belgische Brigade weer doden en gewonden. ‘Capelse Veer’, een eenzaam, onbewoond, verlaten stukje grond, onbekend in de wereld, eiste tot het laatste toe haar tol in de strijd langs de oevers van de Maas.

*****

In de drie volgende artikelen: ‘Capelse Veer II’, ‘Capelse Veer III’ en ‘Capelse Veer IV’ hebben de auteurs, die zelf daadwerkelijk aan de strijd om ‘Capelse Veer’ hebben deelgenomen, hun ervaringen en belevenissen vastgelegd.