CAPELSE VEER (IV)

(Uit ‘Dordts Dagblad’ van zaterdag, 30 januari 1965)

Bij de Argylls en Sutherland Highlanders of Canada diende een Nederlander. Hij was als sergeant voor speciale diensten aan de staf toegevoegd en maakte als zodanig de vernietiging van het laatste Duitse bruggenhoofd ten zuiden van de Maas mee. Eén van de verslaggevers van het ‘Dordts Dagblad’ had een gesprek met hem. Zijn ervaringen, die hij via een dagboek helder voor de geest kon halen, wenste hij alleen op basis van anonimiteit te vertellen.

DE VIER BANGE NACHTEN VAN CAPELSE VEER LAATSTE DUITSE BRUGGENHOOFD OVER DE MAAS VERNIETIGD. Operatie ‘Olifant’ begon voor mij in de nacht van 27 op 28 januari 1945. Niet alleen voor mij trouwens, maar ook voor ongeveer 150 man, die de A-compagnie van de Argylls and Sutherlands Highlanders of Canada vormden. Ik wist waar het om ging. Van de in Eindhoven gelegerde divisiestaf waren instructies ontvangen het laatste Duitse bruggenhoofd over de Maas ‘met zo gering mogelijke verliezen’ op te ruimen. Ik wist ook wie er tegenover ons zouden komen te staan: geharde, Duitse parachutisten, verbeten vechtende elitetroepen. De Argylls waren als versterking bedoeld. De hele dag lang waren er inleidende gevechten geweest waaraan een ander Canadees regiment, dat van Lincoln and Welland, had deelgenomen. De mannen waren teruggedrongen; er waren zware verliezen geleden. Van twee compagnieën waren alle officieren gedood of gewond. Er joeg een sneeuwstorm door Waalwijk, terwijl het vroor dat het kraakte. Voor de school, waarin we ingekwartierd lagen, lieten de chauffeurs de manschappenwagens warm draaien. De koplampen straalden flauw, blauw licht uit. Er was nog verduistering. Geen straatlantaarn brandde; geen huis gaf blijk van enig leven. Toen de colonne zich in beweging zette, heerste er in de donkere diepte der gehuifde trucks bepaald geen sombere stemming. Niemand liet althans iets van zijn diepere gevoelens blijken. Het enige dat men zag waren de vage lijnen van helmen, ransels, brenguns en geweren. Het enige wat men hoorde waren de typisch soldateske cavalcades van grappen en plagerijen en cynisch gekanker. Nog vóór Capelle sloegen we een wit besneeuwde landweg in, die in de richting van de rivier voerde. Het ging langzaam, eigenlijk steeds langzamer. Doordat de hard bevroren karrensporen nauwelijks meegaven, werden we om de haverklap tegen elkaar geworpen. We waren er dan; de laatste sigaret werd op de vloer uitgetrapt. Toen ik op de grond sprong, sneed de wind me ijzig in het gezicht. Ik huiverde en trok m'n bivakmuts verder over de oren. Na onze wapens op scherp te hebben gesteld, trokken we in tirailleurslijn naar de vlakbij gelegen stellingen. Het was stil op dat moment. Slechts zo nu en dan klonk een mitrailleursroffel of een nadaverend geweerschot. Toch was er die dag fel gevochten. Ik zag het aan de uitrustingsstukken, die her en der verspreid lagen, aan de door mortiergranaten veroorzaakte grondomwoelingen. Ook aan de enkele met sneeuw bedekte lichamen, die we op onze weg tegenkwamen. Twee uur daarna bevond ik me in een meer gehakte dan gegraven loopgraaf in de dijk langs de rivier. Rechts van me, nog geen 1500 meter verder, stroomde de rivier, die bevrijd Nederland scheidde van bezet Nederland. Links beneden op een afstand van misschien 100 meter, lag een stijfbevroren kanaal, het zogenaamde ‘Oude Maasje’. Vóór me hadden de parachutisten zich ingegraven, maar niemand wist precies waar. Ik was langzaam maar zeker aan het verstenen, toen ik door een ordonnans uit de loopgraaf werd gehaald. De compagniecommandant had een opdracht voor me: of ik hem maar wilde volgen. “Sergeant”, zei de majoor even later tegen me, terwijl de wind door zijn stelling gierde, “ik wil het je eigenlijk niet aandoen, maar het moet. Mij is sinds vanmiddag niet meer bekend, waar de Duitsers liggen. Het hele front is in beweging geweest. Ik wens dat jij contact met de vijand maakt, maar je hoeft niet verder dan duizend yards op te rukken. Ik zal je twee scherpschutters meegeven. Zorg dat jullie heel terugkomen”. “Duizend yards”, schamperde ik. “Dat is midden in de Duitse linies” “Sorry, old man”, zei de majoor weer. “Ik kan het.ook niet helpen. We moeten weten, waar die ‘Jerries’ zich precies bevinden.” Het vooruitzicht langs een dijk te sluipen, waar schietklare parachutisten zich ingegraven hebben, is niet erg aanlokkelijk. Ik realiseerde me dit goed toen ik in een wit camouflagepak werd geholpen om in de sneeuw minder op te vallen. Zwijgend, maar plotseling door en door warm, gingen we gedrieën op pad. De fijne jachtsneeuw liet weinig zicht over, maar eerlijk gezegd beviel me dat wel. We kwamen terug, heelhuids zonder ook maar een schot te hebben gelost. Het angstigste moment was de besluiping van een Duitse stelling geweest, die verlaten bleek te zijn. Contact met de vijand hadden we niet gemaakt, hoewel we op het punt van terugkeer zeker wisten dat dit er al lang had moeten zijn. We werden verwelkomd alsof we uit het dodenrijk waren opgestaan. We kregen rum uit een vaatje van de bottelier, die op geheel eigen wijze de kou hielp te bestrijden. Alleen ... er was wat, de officieren keken bezorgd naar ons. “I'm sorry, sergeant”, klonk de stem van de majoor, “We hebben opdracht van het hoofdkwartier de verst vooruitgeschoven post van de vijand te ontdekken. Maak er twaalfhonderd yards van.” De order was even belachelijk als gevaarlijk. “Het is de sneeuw majoor”, zei ik, “als die er niet was, zaten we hier niet. We zien niets en zij ook niets. Je kan, als je wilt, ongezien de Maas inlopen.” Opnieuw kwamen we terug. Nu veel eerder dan de eerste keer. Nog geen vierhonderd yards voorbij ons laatste mitrailleursnest kwamen we onder vuur van eigen tanks te liggen, die aan de overkant van het Oude Maasje stonden te blaffen. De rest van de nacht en ook de hele dag waren er alleen maar beschietingen. De Canadezen schoten naar de ene kant, de Duitsers naar de andere kant van het schiereiland. De Argylls werden niet afgelost. Ze stonden te blauwbekken in hun loopgraven die een goede dekking tegen het mortiervuur boden. De nacht daarna, die even koud was als de vorige, werd aan alle patrouilleactiviteiten een halt toegeroepen. Er werd een aanval ingezet, waarbij twee Sherman tanks, en dertig Argylls, waren betrokken. Ook ik hoorde erbij.

Met ratelende mitrailleurs gromden de tanks over de Winterdijk. Sneeuw viel er niet meer en het lichtspoor der kogels was duidelijk te zien. Na nog geen zevenhonderd yards ontmoetten we hevig tegenvuur. We zochten dekking op de grond, maar konden deze nergens vinden. Ingraven was onmogelijk door de hardbevroren toestand van de graskorst. De tanks, die bleven naderen, stonden plotseling in brand. Bijna tegelijkertijd werden ze door goed gerichte, uit pantservuisten komende projectielen, uitgeschakeld. De bemanningsleden werden door de mitrailleurs der parachutisten genadeloos neergemaaid. Dezelfde mitrailleurs richtten zich toen op ons, die zonder dekking waren. Er ontstond paniek. De vlucht terug was weldra compleet. Op m'n linkerschouder hing een Canadees, die een maagschot gekregen had. M'n rechterschouder werd omklemd door een soldaat, wiens beide knieschijven verbrijzeld waren. Zelf had ik niets. Toen we uitgeput en gevoelloos in onze loopgraven zaten, werden de slachtoffers geteld. Van de 38 militairen, die bij de aanval betrokken waren, lagen er acht levenloos op de dijk. Vierentwintig waren gewond; slechts zes mankeerden niets. De volgende dag werd een andere tactiek toegepast. Aan de westelijke kant van het schiereiland had het Lincoln and Welland-regiment een Duitse sergeant-majoor gevangen genomen. Omdat deze man vertelde dat er meer dan tweehonderd zwaar bewapende parachutisten langs de Maas lagen ingegraven, wilde men het, ter voorkoming van verdere verliezen, met een stukje propaganda doen. De Duitsers zouden met een oproep tot overgave worden benaderd, waarbij de nadruk op een goede behandeling en de warme kachel zouden worden gelegd. In de vroege middaguren werd ik uit m'n loopgraaf naar Waalwijk teruggeroepen. De Bataljonscommandant van de Argylls, die daar met een bezorgd gezicht over een stafkaart gebogen zat, vertelde me daar wat de plannen waren. Omdat ik regelmatig als tolk optrad, kreeg ik de opdracht voor de verwezenlijking zorg te dragen. Tot op schreeuwafstand zou ik naar de Duitse stellingen moeten kruipen om de boodschap over te brengen. Anderhalf uur later sloop ik op handen en voeten niemandsland in. Op de flanken werd mijn gang door mitrailleurs gedekt, maar dit verhinderde niet dat ik weldra onder hevig vuur lag. Crawlend en springend bewoog ik me van de ene granaattrechter naar de andere. Om de parachutisten te misleiden wierp ik in verschillende richtingen rookbommen weg.  Toen ik eindelijk op een plaats lag, waar de Duitsers me zouden kunnen horen, schreeuwde ik zo hard als ik kon om hun aandacht. De kogels hielden even op met fluiten. Met mijn hoofd dicht tegen de aarde gedrukt en met de handen als een trechter aan de mond, bracht ik m'n boodschap over. Het antwoord kwam spoedig. Een schorre stem schreeuwde in goed Engels vijf woorden terug: “We die for the Führer!”.Onmiddellijk daarna was de hel er weer. Mitrailleurroffels, geweerschoten, inslagen, overal. Ik kwam terug en werd van het schiereiland geëvacueerd. De kolonel vond dat ik m'n portie ruimschoots had gehad. Bovendien had ik m'n bril gebroken doordat ik in een kuil op m'n stengun gevallen was. Waar de parachutisten om vroegen, hebben ze gekregen. Op 35 man na, die krijgsgevangen werden gemaakt, zijn ze voor de Führer gestorven. Op de 29e en 30ste  januari 1945 hebben de Canadezen met groot geweld hun stellingen onder de voet gelopen. Veel tanks waren er voor nodig, veel vliegtuigen en veel kanonnen. Ook moesten er aan geallieerde kant nog tientallen doden en gewonden vallen. Capelse Veer, dat kleine stukje grond tussen de Bergse Maas en het Oude Maasje, is in de annalen van de Canadese krijgsgeschiedenis een wapenfeit geworden. Slechts weinigen wisten, of weten, wat daar precies is gebeurd, omdat het laatste Duitse bruggenhoofd in het vrije zuiden in een totaal verlaten streek heeft gelegen.