Er is reeds veel geschreven over de oorlog 1940-45, hoe ons land bezet werd en ons volk verdrukking en ellende te verduren kreeg, maar ook hoe naast de georganiseerde verzetsbeweging, het verzet onder de Nederlandse bevolking steeds meer toenam. Aan de eindoverwinning der Geallieerden werd ondanks de ellende en aanvankelijke tegenslagen der Geallieerden niet getwijfeld. Op 12 februari 1990 waren wij als werkgroep ‘Oude verhalen en dialecten’ ten huize van de heer T. de Roon in de gelegenheid kennis te nemen van een voorbeeld hoe daar tegenover, naarmate de nederlaag van Duitsland meer en meer duidelijk werd, er sprake was van demoralisering onder de leden van de Duitse Weermacht zelf, waarover eigenlijk maar weinig bekend is. Het waren de laatste weken voor de bevrijding van Sprang-Capelle op 30 oktober 1944. Vanuit het zuiden rukten de Geallieerde legers steeds verder op en dreven zij de Duitsers terug tot boven de Maas, waarachter de Duitsers zich hergroepeerden en voorlopig konden stand houden. Het Capelse veer over de Bergse Maas, was een belangrijke schakel in hun terugtocht om het Land van Heusden en Altena te bereiken. In heel Sprang-Capelle waren Duitse soldaten gehuisvest, de ene troep vertrok en de andere kwam. Paard en wagen waren bij gebrek aan beter in die tijd door leden van de Duitse krijgsmacht gevorderd en in gebruik genomen, zodat vooral de boeren voor inkwartiering in aanmerking kwamen. Wanneer er een enigszins redelijke officier bij was, bracht men het er goed af, zo niet, dan moest er niet alleen voor stalling en logies gezorgd worden, maar maakten de Duitsers het wintervoer ook nog op, wat voor het eigen vee bestemd was. Ook werd in veel gevallen vee gevorderd. Het lijkt misschien tegenstrijdig maar toch trof men soms in ‘de gehate Duitser’ met zijn kletterende spijkerlaarzen en arrogante roep ‘Befehl ist Befehl’, een ‘mens’ aan. Zo ging het ook bij het gezin van Arie Jan de Roon.

Boerderij Hogevaart 79

Boerderij Hogevaart 79, in 1945 bewoond door Arie Jan de Roon en zijn gezin 

Vader Arie Jan, moeder Dingena en hun kinderen, 4 meisjes en 3 jongens, waaronder Teun, met wie wij spraken, bewoonden een grote boerderij aan de Hogevaart 79. Bij de buren waren overal Duitsers ingekwartierd. In het kasteel ‘Zuidewijn’ waren meerdere officieren, de zogenaamde staf, gehuisvest. Hoe het kwam dat juist bij Arie Jan de Roon maar één soldaat werd ondergebracht, kon zoon Teun ook niet vertellen. Was dit toeval of had de man dit wellicht kunnen regelen? Het zal altijd een vraag blijven. Van zijn persoonlijke gegevens is bijna niets bekend, zelfs zijn naam niet. Men schatte hem tussen de 40 en 45 jaar oud. Wij zullen hem in het vervolg voor de duidelijkheid omschrijven als ‘onze gast’. Toen hij na een paar dagen wat meer met de situatie vertrouwd werd, vertelde hij in Duitsland een vrouw en drie kinderen te hebben. De oorlog was hij beu, hij wilde liever niet meer vechten, maar bij De Roon op de boerderij blijven werken en als de oorlog voorbij was naar de Heimat teruggaan. Vader De Roon ging hier toen nog niet op in. Het front kwam steeds dichterbij. Het bataljon, waartoe onze gast behoorde, was richting Maas vertrokken, maar zonder de bewuste man. Waarom niemand hem zocht of ophaalde is niet bekend. Hij bezorgde de familie De Roon geen overlast, juist het tegendeel. De officieren in het ‘Kasteeltje’ kwamen een tafel tekort en stuurden een paar jonge soldaatjes om er bij de Roon één te vorderen. Mevrouw De Roon maakte hun op bescheiden wijze duidelijk de tafel voor haar grote gezin niet te kunnen missen, doch zonder resultaat. Onze gast, nog steeds in uniform, kwam tussenbeide en op de bekende Duitse manier blafte hij de veel jongere soldaten af. Het geschil liep hoog op, maar de tafel bleef staan. Al deze kleine dingen hebben wellicht een sfeer van vertrouwen geschapen, waarin het mogelijk werd over ‘deserteren’ te spreken. Bij de gevaren voor eigen leven, die hieraan verbonden waren, stond de familie De Roon niet stil. Besloten werd hem dan maar tot aan de komst van de Geallieerden te verbergen. Zijn uniform werd verwisseld voor burgerkleren en met zijn gehele uitrusting o.a. geweer en munitie in het kippenhok verstopt. Onze gast zelf verhuisde naar de hooizolder; tussen het gebint vond hij zijn schuilplaats, terwijl het mogelijk was dat beneden Duitsers in en uit liepen. Vader De Roon en zoon Wim brachten hem eten; alleen voor het toilet kwam hij naar beneden. Hoe dichter de Geallieerde legers naderden, hoe grimmiger de Duitsers werden. Vaak waren het frontsoldaten die ons dorp aandeden. Eten was voor hen ook schaars. De boerderijen werden afgestroopt of er iets van hun gading te vinden was. Bij De Roon hadden ze nog een best varken, circa 200 pond, vanzelfsprekend niet in de gebruikelijke stal. Achter de boerderij stond een stroschelf waarvan niemand vermoedde, dat er binnen in een varkenshok gemaakt was. Hoe of het kwam wist zoon Teun niet, maar op een zekere keer liep het varken op het erf. Tot overmaat van ramp kwam er juist op dat moment een Duitser aan op zoek naar aardappels. U zult begrijpen dat een varken hem nog beter van pas kwam, dus werd het gevorderd voor de Wehrmacht. Vader en moeder De Roon brachten het met praten zover dat de militair er in toestemde om het beest dan maar niet in beslag te nemen. Zij mochten het voor hun gezin behouden, wel moest het geslacht worden. In de buurt woonde Kees Kortier, die wel meer een varken geslacht had; deze zou dit wel willen doen. De Duitser zou het dier zelf doden. In een hoek van de paardenstal gaf hij met een bijl het beest de genadeslag. Tijdens deze gehele affaire verbleef onze gast op de hooizolder boven hun hoofden. Wat er allemaal had kunnen gebeuren indien de deserteur ontdekt zou zijn, valt niet te beschrijven. Kees Kortier slachtte het varken en bij De Roon waren ze blij over de goede afloop. Tot de volgende dag de Duitser weer terug kwam om het vlees alsnog mede te nemen. Mevrouw De Roon wilde toch nog een laatste poging wagen om het te mogen houden. Van ouds is bekend dat men beter vliegen kan vangen met stroop dan met azijn, hoewel er hier honing aan te pas kwam. Mevrouw De Roon wist de man te overreden het geslachte varken bij hen te laten in ruil voor een pot zelfgemaakte honing. Er werd wel één voorwaarde aan verbonden: het mocht niet door de Tommies (de Engelsen) opgegeten worden! Als militair wist onze man dat het Geallieerde leger nabij was. Vanuit Loon op Zand kwam een troep Duitse infanteristen, uiterst vermoeid, met bepakking teruggeslenterd. De officieren uit het ‘Kasteeltje’ stuurden ze zonder pardon weer terug, richting front. Er bleef hun weinig over dan weer te gaan. De heren officieren namen intussen zelf de benen en verdwenen over de Maas. De laatste nacht vóór de bevrijding wilden ze de brug over het Afwateringskanaaltje in de Hogevaart opblazen. Omdat de ontsteking niet aanwezig was, bleef dit onuitgevoerd. Deze nacht verbleef het gezin De Roon in een zelf gemaakte schuilkelder in de boomgaard. De Roon wilde het huis niet onbeheerd laten en met onze gast wachtte hij daar de morgen van de bevrijdingsdag af. Daags daarna heeft De Roon, na overleg met onze gast, bij Burgemeester Smit aangeklopt en hem verteld over de deserteur. Drie personen van de ondergrondse kwamen er op uit om de man van de hooizolder te halen. Vader De Roon hield hen terug met de woorden ‘Laat mij dat zelf maar doen ‘. De hele uitrusting werd uit het kippenhok gehaald. De burgerkleren gingen uit en met zijn uniform aan, op de fiets, vertrok hij naar het gemeentehuis. Het adres van de familie De Roon had hij bij zich. Zijn laatste woorden waren: ‘Das ist schön für Sprang-Capelle’, doelende op de wijze waarop hij vertrok. Nooit hebben ze meer iets van hem vernomen.