Wat deze streek en vooral het slagenlandschap in ons dorp zo bijzonder maakte, was de grote verscheidenheid aan planten, vogels, vissen, reptielen en insecten. We hoorden van het vele water in het slagenlandschap.

Wanneer je een doorsnede van het landschap zou maken vanaf Kaatsheuvel in het zuiden tot aan de Oude Maas in het noorden, dan zie je een groot hoogteverschil. In het zuiden is het hoog en in het noorden laag. Je begrijpt dat al het water van hoog naar laag stroomt. Dit
gebeurt bovengronds via beekjes, vaarten en sloten. Maar ook ondergronds komt het water, wat op de hoge gronden in de bodem zakt, richting Oude Maas. Het water wat hier ondergronds naar toe stroomt, stuit in de Langstraat tegen een laag zeeklei die in het verleden is afgezet en zoekt een uitweg naar boven. Dit water, dat uit de grond omhoog komt, noemen we kwelwater.
Maar er is hier nóg een bijzonderheid. Juist op de overgang van zand naar klei ligt een smalle ‘breuklijn’ waar het water uit de bodem naar de oppervlakte komt. Dit wordt de ‘Naad’ of ‘Lekrand’ van Noord-Brabant genoemd. Op deze overgangszone ligt ook ons dorp Sprang-Capelle. Deze ‘Naad’ is ongeveer 175 km lang en loopt van Maashees in het oosten tot Ossendrecht in het westen. De breedte varieert van 1 tot 5 km. In dit gebied komt grondwater naar de oppervlakte. Dit kwelwater is bijzonder schoon water en door honderden jaren in de bodem gestroomd te hebben is dit water verrijkt met mineralen uit de bodem, zoals ijzer en calcium. Wat de bruine kleur verklaart.
Er zijn in het slagenlandschap lage, natte plaatsen waar kwelwater naar boven komt. Plaatsen met klei, zand en veen en de overgangen tussen deze grondsoorten. En natuurlijk zijn er de vele sloten met de elzenhoutwallen. Dit alles samen zorgde voor een zeer grote verscheidenheid aan planten, dieren, vogels, vissen en insecten.
Iedere plant wil een plaatsje waar hij het best kan groeien en vaak zijn dat een aantal soorten die samen dezelfde groeiplaats delen en met elkaar een antengemeenschap vormen. In het voorjaar waren de weilanden paars van de pinksterbloemen (kierewietjes), samen met het rood van de echte koekoeksbloemen (molentjes). De erg natte gedeelten waren geel van de dotterbloemen evenals de slootkanten. In de sloten groeide vaak massaal krabbescheer. Op deze krabbescheerplanten bouwde de zwarte stern z’n nest en bracht er zijn jongen groot. Van deze planten is ook de groene glazenmaker (een libellensoort) afhankelijk. Het vrouwtje van deze soort zet haar eitjes af op deze planten in het water. Zo zie je een afhankelijkheid van plant, vogel en insect. Verdwijnt de krabbescheer, dan verdwijnt ook de zwarte stern en de groene glazenmaker.
Een groot aantal vogels hadden hier hun leef- en broedgebied. Enkele wil ik noemen, de zwarte stern, kwartel, grote karekiet, ooievaar, geelgors en veel grutto’s. De vogels die ik hier noem zijn bijna allemaal uit de Langstraat verdwenen. Later hierover meer. Hoe het komt dat veel van deze rijkdom aan vogels, planten, dieren vissen en insecten is verdwenen, komt in het volgende hoofdstuk aan de orde.
Opdracht:
Maak eens een wandeling met de groep door het natuurgebied ‘de Langstraat’ langs het ‘laarzenpad’ (zie het kaartje van dit
gebied in de bijlagen). Een natuurgids is altijd bereid om over dit landschap en de natuur wat te vertellen. (tel. 0416-
276729