Dit gras maaien en hooien ging vroeger wel iets anders dan we tegenwoordig kennen. Al het gras werd met de zeis, dus met de hand, gemaaid. Het ging om honderden hectare die gemaaid en gehooid moesten

worden. Je moet je eens indenken hoeveel mensen hier voor nodig waren. Dit was zwaar werk en de werkdagen waren lang en iedere avond na het werk hoorde je het ‘haren’ van de vele zeisen, want de zeis moest scherp zijn voor de volgende dag. De werkdag begon als de zon opkwam. Als het gras droog was moest het als hooi van het land gehaald worden. Dit gebeurde hier vaak met twee draagstokken waar het hooi mee naar de kant gedragen werd. Op de meeste percelen lag langs de slootkant een dijkje, waar met paard en kar dit hooi van het land werd afgevoerd. Soms werd om een hooiopper een touw met een lus gedaan en trok het paard deze hooioppers van het land. Dit werd hier ‘mollen’ genoemd. edu hooiwinningWe leerden het water al beter beheersen, er kwam meer kennis omtrent het vee en het verbouwen van landbouwgewassen. Zo ontstonden hier veelal kleine boerenbedrijfjes en wel als een gemengd bedrijf. Dit is een bedrijf dat vee heeft, zoals koeien en één of meer paarden, wat varkens, kippen enz. maar het heeft zelf ook landbouwgrond om gewassen zoals rogge, haver of bieten te verbouwen. De boer had zo voedsel genoeg voor het eigen vee en wat over was kon hij verkopen. Deze kleine gemengde boerenbedrijven blijven bestaan totdat er hier een zeer grote ruilverkaveling het gehele agrarische leven verandert.

 

Opdracht : Laat de leerlingen een zeis en een hooiopper tekenen.
Deze grote hoeveelheden hooi werden verwerkt in hooipersenrijen. In Waspik staat er nog steeds een. Ook in Capelle en Labbegat stond een hooiperserij. De havens van Capelle en Labbegat dienden als afvoerwegen per schip. De prima kwaliteit paardenhooi uit de Langstraat was in geheel Europa bekend en een gevraagd product. Zo ontstond er ook een levendige paardenhandel. De hooiwinning zoals deze vroeger gebeurde kennen we niet meer. Nu maait
een tractor met maaimachine het gras met een snelheid die je met de fiets niet bij kunt houden. Andere machines staan de boer ter beschikking voor het oprapen van het gras of het persen van het hooi. Werkpaarden voor een ploeg, een hooiwagen of een hooischudder zien we niet meer en het zware en vele handwerk zoals we dat vroeger kenden is verledentijd.Omstreeks 1600 loopt de turfwinning terug en het land is zo nat dat er geen landbouwgewassen meer te verbouwen zijn. Grassen willen hier wel groeien en ook een aantal soorten die op grassen lijken, hebben het hier op deze natte percelen goed naar hun zin. Deze op grassen lijkende planten zijn zeggensoorten en werden hier hard gras genoemd. Paarden eten dit erg graag. Zo is geleidelijk een steeds grotere hooihandel ontstaan. Wel liepen ieder najaar deze buitenpolders met de weilanden onder water. Dit was niet bedreigend voor de mensen, dit had te maken met de lage dijken langs de Oude Maas die bij hoog water in het najaar en de winter overliepen. Deze dijken werden ook niet verhoogd want bij iedere overstroming van deze weilanden werd een dun laagje kleigrond afgezet (slib). Dit was ook de bemesting waar het gras prima van groeide. Dit is zo gebleven tot de Deltawerken in 1970 gereed waren. Eb en vloed zoals we dat altijd gekend hadden, was nu voorgoed voorbij.