Langs de sloten werden elzen geplant om te voorkomen dat de slootkanten inzakten. De aanplant van elzenbomen werd vaak verplicht door de leenheer (landeigenaar). Wij zien deze elzenheggen in ons dorp nog steeds langs vele sloten groeien.

Deze bomen leverden veel geriefhout; er werden waterdichte klompen van gemaakt. Elzenbomen zijn goede bodemverbeteraars, ze halen stikstof uit de lucht en verrijken hiermee de grond. Stikstof is een meststof voor planten. Deze elzenheggen leverden ook veel brandstof (mutsaard) voor b.v. de bakkersoven. Een mutsaard is een bos takken en werd met een wilgenteen samengebonden. Een wilgenteen is een soepele eenjarige wilgentwijg. De ouderen in ons dorp spreken van mustert in plaats van mutsaard. De ontginningsrichting was van noord naar zuid. De graaf verleende de ontginners het recht om steeds verder in de lengte te ontginnen. Zo zijn de vaak kilometers lange en smalle percelen ontstaan. Dit is nog goed te zien wanneer je over de Zuidhollandsedijk of de Hoge Zandschel fietst. Voor de afvoer van de turf werden brede sloten of kanalen gegraven. Al deze waterwegen werden hier vaart genoemd. Omstreeks 1540 voeren door de Loonse Vaart jaarlijks 13.000 turfpleiten (kleine turfschepen) op en neer van Sprang, Capelle, Loon op Zand en ’s-Gravenmoer naar Den Bosch. Dit om enig idee te hebben hoeveel turf hier per jaar werd verhandeld.
Als de turf was afgegraven bleef er schrale landbouwgrond over, waar landbouwgewassen werden gezaaid en geoogst b.v. boekweit.De grond van deze ontgonnen percelen werden steeds natter omdat de bodem zakte, we noemen dit inklinken. Dit had tot gevolg dat er een moment kwam dat er geen gewassen meer geoogst konden worden en deze percelen werden graslanden. Dit was ook de reden om verder te ontginnen naar het zuiden. Na ongeveer driehonderd jaar was de bloeitijd van de turfwinning als voornaamste bron van inkomsten voorbij. Opdracht: Een bezoek aan het bezoekerscentrum Mijl op Zeven in de Peel of het veen museum in Vinkeveen leert veel over de turfwinning uit het verledenVoor deze eenvoudige mensen die hier kwamen wonen, moeten wij groot respect hebben, om hun uithoudingsvermogen, durf en levensmoed. Deze pioniers werkten gedurende 5 jaar of langer van zonsopgang tot zonsondergang, om een boerderijtje van 5 tot 10 ha. uit het moerasbos te ontginnen. Door deze zware arbeid onder zeer moeilijke omstandigheden en ziekten als moeraskoorts, tuberculose en reumatiek zal dit ook vele slachtoffers hebben gemaakt. Eerst werden er sloten en greppels gegraven om het overtollige water kwijt te raken. Bomen en struiken werden gerooid. De bodem bestond voornamelijk uit veengrond. De dikke veenlagen werden afgegraven en leverden de turf die als brandstof werd gebruikt. Dit werd de voornaamste bron van inkomsten in de Langstraatse dorpen. Dordrecht en de gehele streek daar omheen werden vanuit de moerkant van brandstof voorzien. Nagenoeg de gehele bevolking leefde van de turfwinning of het vervoer daarvan per schip. Hoewel de turf de voornaamste brandstof van die tijd was, bracht zij geen welvaart aan de bewoners van de Langstraat. De meeste winst ging naar de grondeigenaren, die het grootste gedeelte van de turfgronden in de dorpen in bezit hadden.