In de Middeleeuwen betekende het woord slaan en slag ondermeer het verdelen van onver-deelde grond en wel speciaal om die te ontginnen. In verband met de ontginning van moeras-sige wildernis is half vorige eeuw ( ± 1950 ) het woord ‘slagenland’ ingevoerd. Het stuk land werd

eerst uitgemeten en er werd een dijk omheen gelegd met hiernaast een sloot die voor de afvoer van het overtollige water moest zorgen. Deze dijk was de grens van de ‘hoeve’ maar moest ook dienen om het water te keren dat van de hoge gronden, vanaf het zuiden richting Oude Maas stroomde.Er werden nog meer sloten en greppels gegraven om het land droger te maken en als bouwland te kunnen gebruiken. Door de aanleg van de dijk en het graven van sloten en greppels bleef er 25% minder bruikbaar land over. Zo ontstonden de lange en smalle percelen. Ieder perceel is een slag, een verdere verdeling dus van het land dat ontgonnen werd. De zogenaamde dijk of zijkade, ‘brede zijdwende’ genoemd, speelt bij de ontginning van dit veengebied een belangrijke rol. Deze zijdwende gaf zijn naam aan het oude edu eersteontginnersambacht en ook aan het kasteel Zuidewijn. Deze zijdwende kennen wij hier als de laan van Zuidewijn. Het oudste deel van de zijdwende lag aan de oever van de Maas en zal kort na het jaar 1000 zijn aangelegd. Naarmate de ontginning opschoof, werd de zijdwende verlengd en laat zich tot bij Kaatsheuvel aanwijzen. De Graaf van Holland gaf stukken grond aan een aantal gezGeschiedkundigen nemen aan dat de eerste bewoners uit de streek kwamen ten noorden van de Oude Maas,innen om deze te ontginnen. Ieder kreeg één hoeve ‘wildernis’.

wat wij nu het land van Heusden en Altena noemen. Je moet je voorstellen dat het van af de Oude Maas tot aan de Zuidhollandsedijk een groot moerasgebied was en dit strekte zich uit naar het westen van af Besoyen tot Waspik, Raamsdonk en ’s Gravenmoer. Deze eerste bewoners woonden in plaggenhutten of een woning gemaakt van houten palen met een bedekking van riet, gebouwd op de oeverwal aan de zuidkant van de Oude Maas. De rivier had in de vele jaren hiervoor plaatselijk grote hoeveelheden zand afgezet. Dit waren kleine zandduinen die een verhoging in het landschap vormden en waar de eerste bewoners een stevige en droge bodem hadden voor hun huizen. Zo’n verhoging in het landschap werd ook wel een donk genoemd, denk hierbij aan het dorp Raamsdonk. De eerste gezinnen kregen dus één hoeve grond. Een hoeve werd ook wel een slag genoemd. Deze was 24 roeden breed en 400 roeden lang. In die tijd gebruikte men andere landmaten dan wij nu. Een roede is 4 meter, dus kun je zelf uit rekenen hoe breed en hoe lang een hoeve was.