Lezing op 7 maart 2017 over ’65 jaar Molukkers in Nederland. Wie zijn zij?’ door  Louise Parihala.

molukkersDe Beatrix-zaal loopt voller en voller. Een groep jongelui, met achter op hun kleding het woord Mathapahan, zoekt een plekje in de zaal. Het doet denken aan het onderwerp van deze avond: de geschiedenis van Maluku. De voorzitter heet ieder hartelijk welkom en in het bijzonder de spreekster Louise Parihali en haar begeleider die haar verhaal zal ondersteunen met muziek op de piano of gitaar. Zij gaat ons meenemen in de geschiedenis van Maluku, voor ons beter bekend onder de geschiedenis van de Molukkers. Want al 65 jaar kennen wij Molukkers. Velen hebben ermee op school of op de sport gezeten. Hoewel Louise het spannend vindt voor deze volle zaal, wil ze graag dat het verhaal ook in de toe-komst doorverteld wordt. Maar nu terug in de tijd. Maluku betekent in het Arabisch Koning en bestaat uit zo’n duizend eilanden. Nederlanders kennen alleen het zuidelijke eiland Ambon. Als de Nederlanders rond 1600 de Molukken ontdekken, ontdekt men daar ook de kruidnagels en nootmuskaat. De bevolking wordt gedwongen voor de Nederlanders te werken. De nootmuskaat wordt geplukt en gedroogd en kruidnageltjes worden in de knop geplukt. Werk genoeg. Er worden forten gebouwd om de teelt te beschermen. De VOC wordt rijk maar de bevolking blijft arm. Onder J.P. Koen zijn er zelfs duizenden vermoord. De missionarissen en zendelingen komen om de bevolking te bekeren. Als in 1797 de VOC verdwijnt wordt de bezetting overgenomen door de Nederlandse Staat. De VOC wordt de KNIL. Veel Molukkers willen wel werken bij de KNIL want dat zal een beter bestaan geven. Dan een grote stap naar de WO II die ook voor Indonesië een zeer zware tijd is geweest. Als de oorlog voorbij is wil Indonesië een onafhankelijke republiek worden. Maar Nederland accepteert dat niet. De KNIL verzet zich heftig tegen de Indonesische Staat en daarin gaan de Molukken en  Ambon met zijn vele KNIL-militairen mee. Zij willen een eigen staat: de Vrije Republiek der Zuid Molukken, de RMS. Maar Nederland geeft geen enkele steun hierbij. Als in 1949 de soevereiniteit wordt overgedragen wordt de KNIL ontbonden. Waar blijven de oud-KNIL militairen nu? Ze worden op dienstbevel voor een korte tijd naar Nederland overgebracht. Er is geen keus.

kaartje MolukkenLouise komt als klein meisje uit een mooi warm land in het koude Nederland. De kisten met bezittingen blijven gesloten en wachten op de terugreis. Maar het dienstbevel bij vertrek is een ontslag na aankomst. Aansluiting bij de Koninklijke Landmacht? Nee, de uniformen gaan uit. Weg dromen…weg hoop!!!! Waar komen ze terecht? Louise komt te wonen in Lunetten, kamp Vught. In de voormalige concentratiekampen worden de barakken gereed gemaakt om te wonen; een kamer van 5 bij 2,5 meter, ijze-ren stapelbedden, een paar dekens, een waterkoker, twee waslokalen, 5 hurktoiletten voor 22 gezinnen, en eten ophalen in de gaarkeuken. Eten…. stamppot!!! Bah… niet naar binnen te krijgen! Er was wel een school en ziekenopvang. Intussen probeerden de gezinnen wat meer zelfzorg te creëren door met zinkplaten een eigen keukentje aan de barak te bouwen om zelf te kunnen koken. Dat was ’s zomers bloedheet en ’s winters ijzig koud. Het had volop belangstelling van ratten. Toen op dringend verzoek een regeringsambtenaar kwam kijken, reageerde hij geschokt en kwam er een kleine verbetering. Nieuw dak, afvoer, keukenblok en geiser. Toen in 1968 besloten werd dat hun verblijf definitief was, werden de woonoorden, behalve Lunetten in Vught opgeheven, en werden ze gehuisvest in Molukse wijken , ruim 60 verspreid over Nederland. Dit bracht grote weerstand teweeg, men wilde bij elkaar blijven. Ze moesten een baan zoeken, maar waren meestal aangewezen op ongeschoold werk. De oude baan als militair kregen de mannen niet terug. Nadat zij een generatie - ruim 24 jaar - hadden gewacht op de inlossing van de beloften van de Nederlandse regering, wisten ze al bijna zeker dat ze in Nederland zouden blijven. De Nederlandse overheid wilde of kon de beloften over een vrije staat niet nakomen. Hierdoor radicaliseerde een deel van de Molukse jongeren. Een groepje onder hen besloot door middel van een treinkaping hun eisen kracht bij te zetten. De acties brachten de gedroomde eigen staat niet dichterbij. Wel besefte de Nederlandse regering dat er meer aandacht nodig was voor de positie van de Molukkers. Nadat in 1991 de barakken werden gesloopt en de tweede generatie in Nederland opgroeide kwam de integratie langzaam op gang.

Na de pauze probeert Louise ons in te wijden in een gedeelte van de Molukse adat: een ongeschreven wet van cultuur- en leefregels. Wat de meeste indruk op mij maakte, is het pela-schap. Pela is een soort verbond dat gesloten wordt tussen dorpen onderling: een broederverbond. Sommige verbonden zijn al heel oud en stammen uit de tijd van de koppensnellers. (In de 17de eeuw kwam er een einde aan het koppensnellen.) Het pela-schap zorgt voor een sterke band tussen de dorpen. Het gaat uit van wederzijds respect en je kunt op elkaar rekenen in tijden van nood. Bij zo’n pela behoren strikte regels: zo kunnen leden uit zo’n pela niet met elkaar trouwen. Gebeurt dat toch, dan rust er geen zegen op dat huwelijk. De pela-gemeenschap wordt als een grote familie ervaren. Oudere mensen worden al snel opa en oma genoemd. Meneer en mevrouw is er ook niet bij, de aanspreektitel is dan oom en tante. De opvoeding is niet zachtzinnig, Lousie noemt het zelfs spartaans en daar horen ook lijfstraffen bij. Aan het eind van haar lezing mogen er vragen gesteld. Daar wordt dankbaar gebruik van gemaakt. Een vraag was erg indringend: Hoe groot is de kans om naar de Molukken terug te keren?