Een eigen taaltje heeft toch wel wat. En dat vinden meer mensen, gezien het aantal leden en gasten die op de lezing van Jos Swanenberg waren afgekomen.
Maar wie is Jos Swanenberg? Jos werkt bij Erfgoed Brabant. Bij Erfgoed Brabant werkt een groep mensen die zich bezighouden met ons erfgoed onder de aandacht te brengen van het onderwijs, beleidsmakers en een breed publiek. Dus ook aan mensen zoals wij. Daarnaast is hij hoogleraar ‘diversiteit in taal en cultuur’ aan de universiteit van Tilburg. Hij is opgegroeid in Middelrode, een dorpje ten zuiden van Den Bosch.
Het dialect heeft eigenlijk geen goede naam in Nederland. Het wordt vaak in verband gebracht met platte praat, streektaal, je moerstaal of zelfs oud-Nederlands. Maar de vraag is of dat terecht is.
We krijgen een hele verhandeling over de taal. Maar is er eigenlijk wel een verschil in de officiële taal en een dialect? En wie maakt dat uit? Het gaat zoals met zoveel zaken, wie macht heeft – zoals het leger en de kerk - hebben een flinke vinger in de pap. En niet te vergeten het onderwijs.
Het dialect wordt vooral gesproken waar het gezellig is, zoals in verenigingen en bij familie.
platte praatIn Nederland waren er lange tijd maar twee talen: Nederlands en Fries. Sinds 1996 is het Limburgs en Nedersaksisch ook als taal erkend.
En het Brabants of Sprang-Capels? Dat heeft gewoon pech gehad. Te weinig invloed! Maar het is ook niet eenvoudig om het Brabants als één taal te presenteren; er zijn vele variaties.
Maar één kenmerk is helder: wij spreken niet van je of jullie, wij hebben het over ge, gij of gullie. ‘Hebben jullie het al gedaan?’ klinkt niet goed in onze oren, wij zeggen ‘Hedde gullie ut al ge-daon?’
Jos beweert dat de rivier de Donge een belangrijke taalgrens markeert. Ten westen er van wordt er over ‘schoon weer hee’ gesproken en ten oosten over ‘mooi weer waaar’. Achter mij hoorde ik iemand zeggen: “Maak mij niet uit …… als het maar droog blijft.”
Al die zinnetjes werken als een soort herkenning waar de spreker vandaan komt; het werkt als een shibboleth. In de Tweede Wereldoorlog pikte je een Duitser er zo uit met het woord Scheveningen. De ‘sch’ is voor onze oosterburen moeilijk uit te spreken.
Hoe zijn de dialecten ontstaan? Dat is een vraag die je niet mag stellen en beantwoorden is al helemaal onmogelijk. Rond 1500 had elke streek zijn eigen taal of dialect zoals je wilt. Uit een van die dialecten heeft zich het Algemeen Nederlands ontwikkeld. In de 16e eeuw ontstond de Verenigde Republiek der Nederlanden. Veel macht en rijkdom zorgde er voor dat het dialect dat in Holland gesproken werd zich tot het Nederlands ontwikkelde. De Statenvertaling werd in dat dialect geschreven. Beroemde schrijvers als P.C. Hooft en Joost van den Vondel droegen ook hun steentje bij. Een schrijftaal werd ontworpen en tot op de dag van vandaag spreken wij nog steeds die schrijftaal als ABN. Daardoor kreeg het dialect de woorden plat, boers en dom opgeplakt.
Maar bedenk dat je moederstaal een volwaardige taal is: je kunt er alles in zeggen wat je denkt en voelt. Maar als je gaat studeren moet alles wel weer in het Nederlands. Want dat is tenslotte goed voor je loopbaan.
Jos sluit de avond af met nog wat verschillen in gebruik van woorden: buurten – bijpraten; steggelen – bekvechten; butsen – kneuzen.
Wij drinken graag een pilsje met een frietje. Maar boven de rivieren drink je een biertje met een patatje. Ik mag hopen dat ze hetzelfde smaken.
Jos roept op om het dialect te behouden en te promoten in je eigen gemeenschap door culturele activiteiten te organiseren, het onderwijs te benaderen en ons dialect vast te leggen. Genoeg werk aan de winkel dus voor de werkgroep ‘dialect’.
Jos neemt afscheid zoals het hoort met: Houdoe en dégge bedankt zijt dè witte …